|


| |

| Kaartje
van Azië met daarin aangegeven het Tibetaanse koninkrijk, dat gedurende
de tweede helft van de 8e eeuw een ongeëvenaarde expansie
doormaakte en behalve de Tibetaanse hoogvlakte ook een belangrijk
gedeelte van de zijderoute (paarse lijn) wist te beheersen. De Chinese
Tang-dynastie moest in die tijd een groot gedeelte van haar
machtsgebied prijsgeven. |
 |
De opkomst en
ondergang van het eerste Tibetaanse koninkrijk
(7e - 9e eeuw)
De Tibetaanse
hoogvlakte is een zeer uitgestrekt dunbevolkt gebied, dat wordt omzoomd
door 's werelds hoogste bergketens: in het zuiden de Himalaya's, in het
noorden het Kun-Lun gebergte. Tibetanen zijn etnisch en taalkundig
verwant aan Chinezen, maar reeds in een ver verleden zijn deze
bevolkingsgroepen elk hun eigen weg gegaan: Tibetanen leefden in
hoofdzaak een nomadisch bestaan, de Chinezen daarentegen waren vanouds
landbouwers. Zoals vele andere nomadische groepen, die zich rondom het
Chinese kernland ophielden, waren de Tibetanen sterk beïnvloed door de
Chinese cultuur en leefgewoonten. Ook vanuit India werd Tibet (Chinees:
Tufan) beïnvloed, met name op religieus en filosofisch gebied.
Het Tibetaanse boeddhisme -binnengekomen zowel uit China als uit India-
en doorspekt met elementen uit eigen oude inheemse natuurgodsdiensten,
vormt het fundament van een uniek Tibetaanse geschiedenis en cultuur.
Tot de 7e eeuw van onze jaartelling zijn geen schriftelijke
bronnen over de geschiedenis van het zeer dunbevolkte Tibet overgeleverd.
In vroegere tijden leefden de Tibetanen waarschijnlijk in afzonderlijke
groepen, bijeengehouden door familie- en clan-banden. De religie bestond
uit natuurgodsdienstige praktijken (animisme, sjamanisme), later Bon-religie
genoemd.
In de 7e eeuw was in het gebied rond het huidige Lhasa een
machtig koninkrijk ontstaan, dat zich steeds verder uitbreidde. Deze
expansie viel samen met het hoogtepunt van de
Tang-dynastie
(618-907) in het buurland China, waaraan de Tibetanen lange tijd
tribuutplichtig werden. Aan het einde van de 8e eeuw strekte
het koninkrijk zich uit over een gebied, dat ongeveer het huidige
autonome gebied Tibet omvat. Bovendien oefende het (tijdelijk) de macht
uit in het huidige Nepal en Kashmir. Kenmerkend voor de aggressiviteit
van de Tibetanen was de plundering in 763 van Ch'ang an (het
huidige Xi'an), de hoofdstad van de in verval verkerende Tang-dynastie.
Koning Songtsen Gampo (r. circa 620-640; Chinees: Tubo Tsampo)
werd boeddhist en
bevorderde deze religie waar hij kon. Hij kreeg, ter versterking van de
onderlinge banden, van de regerende Tang-keizer, Tai zong,
een Chinese boeddhistische prinses ten huwelijk, genaamd Wen Cheng.
Dit feit wordt overigens door de regering in Beijing in de
discussie over de status van Tibet aangevoerd als 'bewijs van de
eeuwenoude verbondenheid tussen Tibet en China'. Hierbij moet worden
aangetekend dat Wen Cheng niet de enige vrouw van Songtsen Gampo
was.
Ondanks de steun, die het boeddhisme ondervond van de heersende
bovenlaag heeft de oude sjamanistische Bon-religie nog lang stand kunnen
houden. Pas tegen het einde van de 8e eeuw ontstonden de
eerste boeddhistische kloosters in Tibet.
Gedurende de 9e eeuw ontspon zich een strijd tussen de lokale
adel, steunend op de Bon-religie, en de koning, gesteund door de
boeddhistische priesters. De koning delfde het onderspit, maar
desondanks wisten de boeddhistische religieuze organisaties (kloosters)
hun macht sterk uit te breiden. Het boeddhisme begon een langdurige
bloeiperiode. Politiek viel Tibet vanaf de 10e eeuw echter
uiteen in een groot aantal feodale staatjes.
De
bloeitijd van het Tibetaanse boeddhisme (10e - 13e
eeuw)
De Tibetaanse
monarchie en het boeddhisme hadden elkaar gedurende lange tijd gesteund
en opgestuwd. In eerste instantie leek het er daarom op dat het
boeddhisme in de val van de monarchie zou worden meegesleurd. In de
tweede helft van de 9e en gedurende de 10e werd het boeddhisme in het
gebied rondom Lhasa inderdaad gruwelijk vervolgd en werden tempels
verwoest. De oude Bon-religie (inmiddels met boeddhistische elementen
verrijkt) herkreeg haar overheersende rol. Vanuit een aantal
buitengebieden (Oost-Tibet en Ladakh in het westen, onder invloed van de
Chinese en Indiase religieuze centra) begon het boeddhisme echter
gedurende de 11e eeuw aan een wedergeboorte en vernieuwing,
die een bijzonder rijke literatuur zou opleveren en zou uitmonden in een
volledige overwinning op de Bon-religie. Deze nieuwe opkomst van het
boeddhisme in Tibet wordt wel 'Tweede Verspreiding' genoemd. Vooral het
tantrische boeddhisme uit het Indiase cultuurgebied (met name Kashmir)
leverde een bijdrage aan een verdieping van het denken. Er verschenen
talloze, nog steeds bestaande en vereerde vertalingen van oude
boeddhistische geschriften. Hiervoor werd een speciaal voor dit doel
ontworpen Tibetaans schrift gebruikt. De grootste van de boeddhistische
geleerden en brug tussen het Indiase en Tibetaanse boeddhisme in die
tijd, was Rintschen Sangpo (958-1055). Gedurende de 12e
en 13e eeuw werd de boeddhistische literatuur verder verrijkt
en geconsolideerd in het canon van het Tibetaanse boeddhisme, de
Kanjur en Tenjur.
Tibet tijdens de
Yuan- en de Ming-dynastieën: opkomst van de kloosterorden
|
 |
|
Het
Potala-paleis, de winterresidentie van de Dalai Lama te Lhasa gebouwd in
de 17e eeuw.
Na de val
van het Tibetaanse koninkrijk in de 10e eeuw vormde een Tibetaanse stam
(de Tangoeten) in het noorden een nieuwe grote staat. Deze staat, de
Xi Xia (=westelijke Xia) dynastie, was naar Chinees model gevormd.
De economie was zowel gebaseerd op het traditionele Tibetaanse
nomadendom als op landbouw. Belangrijk voor de Xi Xia was de
beheersing van het oostelijke deel van de
zijderoute,
vanaf de bocht in de Gele rivier tot de Taklamakan-woestijn. Gedurende
de militair weinig aggressieve
Song-dynastie
(960-1279) kon de Xi Xia zich gemakkelijk handhaven. Tot de
Mongolen van Djenghiz Khan de rust kwamen verstoren: De Xi Xia
werden in de periode 1205-1209 door hen onder de voet gelopen. In 1227
kwamen ze in opstand tegen hun nieuwe overheersers, wat hen op een
strafexpeditie en volledige vernietiging kwam te staan. De verwoesting
was zo groot, dat er nauwelijks nog een spoor van dit rijk overgebleven
is.
De overige delen van Tibet werden tijdens de Mongoolse Yuan-dynastie
relatief met rust gelaten. In Zuid-Tibet stonden de abten van het
klooster van Sakya op goede voet met de Mongoolse heersers. Een beroemde
abt van dit klooster, Sakya Pandita (1182-1251) was niet alleen
wereldlijk heerser van het gebied rondom zijn klooster, maar mocht zich
van de Mongolen onderkoning van heel Tibet noemen. Zijn opvolgers werden
de officiële zetbazen van de Yuan in Tibet. De Sakyapa-kloosterorde
was een van de zogenaamde 'Roodkap-orden', genoemd naar de rode mutsen,
die de monniken bij officiële gelegenheden dragen. Een andere sekte van
Roodkappen was de zgn. Kagyupa-orde. Deze orde schonk veel
aandacht aan het onderwijzen van jonge monniken. De leermeesters werden
Lama's genoemd.
Na de val van de Yuan-dynastie leefde het Tibetaanse koningschap
tijdens de Ming-dynastie (1368-1644) weer op. Tibet was in die
tijd een zelfstandig bestuurde staat geworden, die echter tribuut
betaalde aan de Ming-keizers.
Rond het begin van de 15e eeuw werd door de grote hervormer
Tsongkhapa de sekte der "Geelmutsen" (de Gelugpa; 'Gelug'=deugdelijken)
gesticht. Eén van de grote geestelijke leiders uit die tijd, Gendün
Drubpa (1391-1475), stichtte o. a. het klooster Tashilhunpo
bij Shigatse (Xigaze). Hij had een groot prestige en werd de eerste
geestelijke leider, die (postuum) de titel Dalai Lama toebedeeld
kreeg. De derde Dalai Lama, Sonam Gyatso (1543-1588), kreeg deze
titel als eerste bij levende lijve toegekend door de Mongoolse heerser
Altan Khan, bij gelegenheid van diens bekering tot het boeddhisme.
Het verschijnsel dat belangrijke Lama's na hun dood terugkeren in een
nieuwe incarnatie is een typisch Tibetaans fenomeen, dat al vroeg bij
een van orden van de Roodkappen plaats vond. De meeste bekende lijn van
reïncarnaties is echter die van de Dalai Lama, waarvan bovendien
aangenomen wordt, dat hij uiteindelijk de incarnatie van de
bodhisattva
Gyanyin is. Andere bekende reïncarnaties zijn de Panchen Lama en
de Karmapa Lama.
Het Tibetaanse boeddhisme en de sekte der Geelmutsen in het bijzonder,
vestigde zich stevig in Mongolië. De incarnatie van de derde Dalai Lama
(Sonam Gyamtso) als vierde Dalai Lama, was een achterkleinkind
van de bovengenoemde Altan Khan. Met Mongoolse militaire hulp
wist de Gelugpa sekte en daarmee zijn leider, de Dalai Lama, de overhand
in Tibet te krijgen. Vooral de vijfde Dalai Lama, Ngawang Lobzang
Gyatso (1617-1682), gelukte het behalve het geestelijke ook het
wereldlijk leiderschap in Tibet te vestigen ten koste van de overige
sekten. De koningskroon was inmiddels in handen gekomen van een
Mongoolse dynastie (tot 1720). Op de plaats van het oude paleis van
Songtsen Gampo verrees nu in Lhasa het Potala-paleis. Het was
Ngawang Lobzang Gyatso zelf, die uit respect zijn leermeester en abt
van het klooster van Tashilhunpho als incarnatie van de Boeddha Amitabha
erkende, met de titel Panchen Lama (Pinyin: Bainqen Lama). De
titel Panchen Lama was door hem zonder twijfel bedoeld als een lagere (tweede)
rang in het Tibetaanse geestelijk leiderschap, waarbij hij, als Dalai
Lama, het hoogste geestelijke leiderschap bekleedde. Aangezien de
Boeddha Amitabha in de goddelijke hiërarchie echter hoger staat
dan Guanyin, waarvan hijzelf de reïncarnatie verondersteld wordt
te zijn, heeft de vijfde Dalai Lama hiermee een tegenstrijdigheid in
huis gehaald, die tot op de huidige dag de eenheid van de Tibetanen
verstoort.
In 1652 sloot Ngawang Lobzang Gyatso een verdrag met de nieuwe (Mandsjoe)
Qing-dynastie (1644-1911) in China, die in die tijd in hevige
strijd gewikkeld was met de Mongoolse stam der Oiraten. Na de dood van
de vijfde Dalai Lama werd Tibet eveneens deel van het strijdtoneel
tussen beide machten. Deze strijd eindigde met de bezetting van Lhasa
door de troepen van de Chinese Kangxi keizer in 1720 en afzetting
van de (Mongoolse) koning van Tibet.
Protectoraat onder de Qing-dynastie
De oorlogen van de Qing-keizers tegen de Mongoolse Oiraten
resulteerden gedurende de 18e eeuw in de bezetting door
Chinese legers van het Tarimbekken en omliggende gebieden (inclusief
Mongolië). De legers werden spoedig gevolgd door kolonisten. In Lhasa
werd een klein Chinees garnizoen gestationeerd en werden twee zogenaamde
Ambanen aangesteld, die de belangen van de Chinese keizer in Tibet
behartigden. De Ambanen kregen in de loop van 18e eeuw steeds
meer bevoegdheden: van defensie en buitenlandse politiek tot en met de
zeggenschap over de benoeming van hoge geestelijke gezagsdragers. Vooral
dit laatste ondersteunt de huidige claim van Beijing op medezeggenschap
in de aanwijzing van onder andere de Dalai Lam en Panchen Lama, in het
geval dat zij komen te overlijden.
Tijdens de 19e eeuw, waarin de Mandsjoe macht sterk
afbrokkelde, waren de Dalai Lama's veelal kinderen die de volwassen
leeftijd vaak niet bereikten. De macht werd uitgeoefend door regenten.
Dikwijls werd dit gezag betwist door de Panchen Lama, die het gebied
rond Shigatse beheerste.
|

Detail van een
muurschildering uit het Potala-paleis.
|
|
Onder Engelse
invloed en onafhankelijkheidstreven
Reeds tijdens 25
jaar van de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw
zond de Engelse Oostindische Compagnie gezantschappen en expedities
vanuit Brits-Indië naar Tibet. Aan het einde van de 19e eeuw
kwam het tot schermutselingen tussen de Tibetanen en de Engelsen. Dit
leidde in 1904 tot de zogenaamde "Younghusband-expeditie". Een kleine
Britse legermacht onder leiding van Sir Francis Younghusband bezette
Lhasa na een gewelddadige actie, waarbij vele nauwelijks bewapende
Tibetanen werden afgeslacht. In september 1904 werd een verdrag getekend
met de Mandsjoe Amban en de regent voor de dertiende Dalai Lama, die
zelf naar Mongolië gevlucht was. Dit verdrag stipuleerde een opening van
de Tibetaanse markt voor de Engelsen alsmede een groot bedrag als
schadevergoeding.
De Engelsen zagen af van de mogelijkheid van een permanente aanwezigheid
na een overeenkomst met Rusland. Daarin erkenden beide mogendheden het
Chinese keizerrijk als heersend over Tibet (suzerein). Na het vertrek
van de Engelsen keerde de Dalai Lama aanvankelijk terug naar Lhasa. Een
Chinees leger bezette echter na een veldtocht, die duurde van 1908 tot
1910, geheel Tibet. Toen Lhasa in 1910 veroverd werd, vluchtte de Dalai
Lama naar India.
Reeds in 1911, toen de revolutie een einde maakte aan het Chinese
keizerrijk, kwam er een einde aan deze bezetting. Van 1912 tot de inval
van het Chinese leger in 1950 was Tibet de facto een zelfstandige staat
onder de teruggekeerde dertiende Dalai Lama, Ngawang Losang Thubten
Gyamtso (1875-1933). Deze Dalai Lama had een sterke persoonlijkheid
en heeft geprobeerd met hulp van de Engelsen van Tibet ook in
volkenrechtelijke zin een zelfstandige staat te maken.(Conferentie van
Simla, 1913). De Chinese republikeinse regering heeft hier echter nooit
mee in willen stemmen. Erkenning als zelfstandige staat door enige
mogendheid heeft dan ook nooit plaatsgevonden.
Een smet op het blazoen van de dertiende Dalai Lama was zijn slechte
verhouding met de Panchen Lama, die zich gedwongen zag Tibet te
ontvluchten. Hij werd in 1938 opgevolgd door de huidige veertiende Dalai
Lama, Tenzin Gyatso. De zesde Panchen Lama overleed in 1938 en werd in
1944 opgevolgd door de zevende in dit ambt. Na de overwinning van de
communisten op de nationalistische regering van Chiang Kai-shek werd
Tibet in 1950 militair bezet. Tibet protesteerde bij de Verenigde Naties,
maar zonder succes. Tussen vertegenwoordigers van de Dalai Lama en de
Chinese regering werd in 1951, de zogenaamde 17-punten overeenkomst
gesloten. De rechtsgeldigheid hiervan wordt betwist. In feite is deze
overeenkomst een dode letter gebleven.
Na 1950 volgde een periode van gewapend verzet. Tibetaanse
vrijheidsstrijders wisten grote delen van het gebied in handen te
krijgen. De nog jonge Dalai Lama probeerde tevergeefs met de regering in
Peking tot een vergelijk te komen (1954). In 1959 wisten de Chinese
troepen door middel van een waar schrikbewind de controle over Tibet
weer geheel in handen te krijgen en te behouden. De Dalai Lama vluchtte
naar India en deed wederom een vergeefs beroep op de VN. Volgens de
officiele lezing van de regering van de Volksrepubliek was er in 1959
sprake van 'de bevrijding' door het Volksleger van de onderdrukking van
het Tibetaanse volk door feodale heersers. Elk verzet werd door harde
maatregelen, zoals gevangenneming, deportaties en executies, onderdrukt.
Vooral het kloosterleven en de kloosters zelf moesten het hierbij
ontgelden en werden in de periode tussen 1959 en het einde van Culturele
Revolutie op grote schaal verwoest.
|

Kaartje van het westelijke deel van de Chinese Volksrepubliek met het
huidige autonome gebied Tibet geel ingekleurd. Het historische Tibet
bestond behalve uit het huidige autonome gebied Tibet, uit de Chinese
provincie Qinghai en grote delen van Sichuan en Yunnan.
|
|
Autonoom
gebied binnen de Volksrepubliek
In
1955 werden grote delen van het historische Tibet bij de Volksrepubliek
ingelijfd. Deze gebieden waren de provincies Amdo, nu de Chinese
provincie Qinghai, en de voormalige oostelijke provincie Kham,
dat nu een deel van Sichuan is. In 1965 kreeg het kerngebied van
Tibet de officiele status van autonoom gebied (Xizang Zizhiqu).
De Dalai Lama vestigde na zijn vlucht in 1959 een regering in
ballingschap in Noord-India te Dharamsala.
Ook nadat de opstand in 1959 door het Rode Leger was neergeslagen,
laaide het verzet in de vorm van protestdemonstraties en gewapende
acties van kleine verzetsgroepen nog vaak op. In het begin van de jaren
80, leek de regering in Beijing een welwillendere houding aan te
gaan nemen. De onrust en de repressie namen echter weer toe in 1987 en
1988.
Eén van de middelen, die de Chinese regering aanwendt om de oppositie in
Tibet te verzwakken, is gebruik te maken van massale migratie van Han-Chinezen
naar Tibetaanse gebieden. Een ander middel is invloed te verkrijgen op
de aanwijzing van de belangrijkste Tibetaanse Lama's. Beijing
voert hierbij historische precedenten aan, waarbij de centrale regering
betrokken was bij het aanwijzen van de belangrijkste Lama's, zoals een
nieuwe Dalai Lama. Deze claim wordt bestreden door de aanhangers van de
Dalai Lama, met behulp van tegenvoorbeelden.
In 1989 overleed in Xigaze op 51 jarige leeftijd de tiende Panchen Lama.
Over zijn opvolging heerst onenigheid en verwarring. In 1995 werden twee
jongens elk als elfde Panchen Lama aangewezen. Eén van hen, Gyachain (of
Gyaltsen) Norbu, werd naar voren geschoven onder invloed van de regering
in Peking, de ander (een in 1995 6 jaar oud Tibetaans jongetje met de
naam Gedhun Choekyi Nyima) wordt gesteund door de Dalai Lama. In
februari 2005 werd Norbu officieel ontvangen door de president van de
Volksrepubliek Hu Jintao in de Grote Hal van het Volk (te
Peking). De rivaliserende elfde Panchen Lama is nog nooit in het
openbaar verschenen. Waarschijnlijk staat hij onder huisarrest.
Aangezien de Panchen Lama een belangrijke rol speelt in de Tibetaanse
hierarchie en onder andere traditioneel een belangrijke stem heeft bij
de aanwijzing van een nieuwe Dalai Lama, is de persoon van de Panchen
Lama van groot politiek belang.
De derde Lama in de Tibetaanse hiërarchie is de Karmapa Lama. Ook zijn
aanwijzing is omstreden. Zie het artikel elders op
Geledraak.nl.
In 1989 ontving de Dalai Lama de Nobelprijs voor de Vrede. Officieel
heeft de Dalai Lama het streven naar onafhankelijkheid voor Tibet
opgegeven. Hij streeft de 'middenweg' na, die voorziet in binnenlandse
autonomie. De Chinese regering vertrouwt zijn streven echter niet. Na
jaren van verwijdering is er sinds september 2002 weer voor het eerst
voorzichtig contact geweest tussen aanhangers van de Dalai Lama en
functionarissen uit Beijing. dit heeft in mei 2003 geleid tot een bezoek
aan de Volksrepubliek van een aantal Tibetaanse bannelingen,
afgevaardigd door de Dalai Lama. Voorlopig beperkte dit contact zich tot
het uitwisselen van beleefdheden.
De internationele
gemeenschap heeft de onafhankelijkheid van Tibet nooit erkend. Wel
dringen met name de westerse landen er regelmatig bij de Chinese
regering opaan de mensenrechten en de Tibetaanse cultuur te eerbiedigen.
De Chinese regering beschouwt dergelijke kritiek, geuit door andere
regeringen en internationale instellingen, als inmenging in haar
binnenlandse aangelegenheden. Zij laat geen gelegenheid onbenut om te
wijzen op haar soevereiniteit over het gebied en de economische
vooruitgang, die sinds 1959 geboekt is. Officieel wantrouwt de Chinese
regering elk streven naar autonomie en beschuldigt de regering in
ballingschap van Tibet ervan uit te zijn op separatisme.
De westerse landen hebben de kwestie Tibet nooit belangrijk genoeg (of
te gevaarlijk) geacht om het op de politieke agenda te plaatsen. Mede
daarom en door de toenemende migratie van Han-Chinezen is te voorzien
dat het streven naar autonomie weinig vooruitgang zal boeken en dat de
Tibetanen in de toekomst een steeds kleiner wordende minderheid gaan
vormen in eigen land. Momenteel leven er ongeveer 6 miljoen etnische
Tibetanen in Tibet.
|
|
|