Home
Up


 
             Geschiedenis van Tibet

               1. Koninkrijk (7e - 9e eeuw)
               2. Bloeitijd van het Tibetaanse boeddhisme
               3. Tibet onder de Yuan en de Ming dynastieŽn: opkomst van de
                    kloosterorden

               4. Protectoraat onder de Qing-dynastie
               5. Engelse invloed en onafhankelijkheidsstreven
               6. Autonoom gebied binnen de Volksrepubliek

 

 

Kaartje van AziŽ met daarin aangegeven het Tibetaanse koninkrijk, dat gedurende de tweede helft van de 8e eeuw een ongeŽvenaarde expansie doormaakte en behalve de Tibetaanse hoogvlakte ook een belangrijk gedeelte van de zijderoute (paarse lijn) wist te beheersen. De Chinese Tang-dynastie moest in die tijd een groot gedeelte van haar machtsgebied prijsgeven.
De opkomst en ondergang van het eerste Tibetaanse koninkrijk
(7e - 9e eeuw)

 

De Tibetaanse hoogvlakte is een zeer uitgestrekt dunbevolkt gebied, dat wordt omzoomd door 's werelds hoogste bergketens: in het zuiden de Himalaya's, in het noorden het Kun-Lun gebergte. Tibetanen zijn etnisch en taalkundig verwant aan Chinezen, maar reeds in een ver verleden zijn deze bevolkingsgroepen elk hun eigen weg gegaan: Tibetanen leefden in hoofdzaak een nomadisch bestaan, de Chinezen daarentegen waren vanouds landbouwers. Zoals vele andere nomadische groepen, die zich rondom het Chinese kernland ophielden, waren de Tibetanen sterk beÔnvloed door de Chinese cultuur en leefgewoonten. Ook vanuit India werd Tibet (Chinees: Tufan) beÔnvloed, met name op religieus en filosofisch gebied. Het Tibetaanse boeddhisme -binnengekomen zowel uit China als uit India- en doorspekt met elementen uit eigen oude inheemse natuurgodsdiensten, vormt het fundament van een uniek Tibetaanse geschiedenis en cultuur.
Tot de 7e eeuw van onze jaartelling zijn geen schriftelijke bronnen over de geschiedenis van het zeer dunbevolkte Tibet overgeleverd. In vroegere tijden leefden de Tibetanen waarschijnlijk in afzonderlijke groepen, bijeengehouden door familie- en clan-banden. De religie bestond uit natuurgodsdienstige praktijken (animisme, sjamanisme), later Bon-religie genoemd.
In de 7e eeuw was in het gebied rond het huidige Lhasa een machtig koninkrijk ontstaan, dat zich steeds verder uitbreidde. Deze expansie viel samen met het hoogtepunt van de
Tang-dynastie (618-907) in het buurland China, waaraan de Tibetanen lange tijd tribuutplichtig werden. Aan het einde van de 8e eeuw strekte het koninkrijk zich uit over een gebied, dat ongeveer het huidige autonome gebied Tibet omvat. Bovendien oefende het (tijdelijk) de macht uit in het huidige Nepal en Kashmir. Kenmerkend voor de aggressiviteit van de Tibetanen was de plundering in 763 van Ch'ang an (het huidige Xi'an), de hoofdstad van de in verval verkerende Tang-dynastie.
Koning Songtsen Gampo (r. circa 620-640; Chinees: Tubo Tsampo) werd boeddhist en bevorderde deze religie waar hij kon. Hij kreeg, ter versterking van de onderlinge banden, van de regerende Tang-keizer, Tai zong, een Chinese boeddhistische prinses ten huwelijk, genaamd Wen Cheng. Dit feit wordt overigens door de regering in Beijing in de discussie over de status van Tibet aangevoerd als 'bewijs van de eeuwenoude verbondenheid tussen Tibet en China'. Hierbij moet worden aangetekend dat Wen Cheng niet de enige vrouw van Songtsen Gampo was.
Ondanks de steun, die het boeddhisme ondervond van de heersende bovenlaag heeft de oude sjamanistische Bon-religie nog lang stand kunnen houden. Pas tegen het einde van de 8e eeuw ontstonden de eerste boeddhistische kloosters in Tibet.
Gedurende de 9e eeuw ontspon zich een strijd tussen de lokale adel, steunend op de Bon-religie, en de koning, gesteund door de boeddhistische priesters. De koning delfde het onderspit, maar desondanks wisten de boeddhistische religieuze organisaties (kloosters) hun macht sterk uit te breiden. Het boeddhisme begon een langdurige bloeiperiode. Politiek viel Tibet vanaf de 10e eeuw echter uiteen in een groot aantal feodale staatjes.

 

De bloeitijd van het Tibetaanse boeddhisme (10e - 13e eeuw)

 

De Tibetaanse monarchie en het boeddhisme hadden elkaar gedurende lange tijd gesteund en opgestuwd. In eerste instantie leek het er daarom op dat het boeddhisme in de val van de monarchie zou worden meegesleurd. In de tweede helft van de 9e en gedurende de 10e werd het boeddhisme in het gebied rondom Lhasa inderdaad gruwelijk vervolgd en werden tempels verwoest. De oude Bon-religie (inmiddels met boeddhistische elementen verrijkt) herkreeg haar overheersende rol. Vanuit een aantal buitengebieden (Oost-Tibet en Ladakh in het westen, onder invloed van de Chinese en Indiase religieuze centra) begon het boeddhisme echter gedurende de 11e eeuw aan een wedergeboorte en vernieuwing, die een bijzonder rijke literatuur zou opleveren en zou uitmonden in een volledige overwinning op de Bon-religie. Deze nieuwe opkomst van het boeddhisme in Tibet wordt wel 'Tweede Verspreiding' genoemd. Vooral het tantrische boeddhisme uit het Indiase cultuurgebied (met name Kashmir) leverde een bijdrage aan een verdieping van het denken. Er verschenen talloze, nog steeds bestaande en vereerde vertalingen van oude boeddhistische geschriften. Hiervoor werd een speciaal voor dit doel ontworpen Tibetaans schrift gebruikt. De grootste van de boeddhistische geleerden en brug tussen het Indiase en Tibetaanse boeddhisme in die tijd, was Rintschen Sangpo (958-1055). Gedurende de 12e en 13e eeuw werd de boeddhistische literatuur verder verrijkt en geconsolideerd in het canon van het Tibetaanse boeddhisme, de Kanjur en Tenjur.
                                                                                         

 

Tibet tijdens de Yuan- en de Ming-dynastieŽn: opkomst van de kloosterorden

 

Het Potala-paleis, de winterresidentie van de Dalai Lama te Lhasa gebouwd in de 17e eeuw.

 

Na de val van het Tibetaanse koninkrijk in de 10e eeuw vormde een Tibetaanse stam (de Tangoeten) in het noorden een nieuwe grote staat. Deze staat, de Xi Xia (=westelijke Xia) dynastie, was naar Chinees model gevormd. De economie was zowel gebaseerd op het traditionele Tibetaanse nomadendom als op landbouw. Belangrijk voor de Xi Xia was de beheersing van het oostelijke deel van de zijderoute, vanaf de bocht in de Gele rivier tot de Taklamakan-woestijn. Gedurende de militair weinig aggressieve Song-dynastie (960-1279) kon de Xi Xia zich gemakkelijk handhaven. Tot de Mongolen van Djenghiz Khan de rust kwamen verstoren: De Xi Xia werden in de periode 1205-1209 door hen onder de voet gelopen. In 1227 kwamen ze in opstand tegen hun nieuwe overheersers, wat hen op een strafexpeditie en volledige vernietiging kwam te staan. De verwoesting was zo groot, dat er nauwelijks nog een spoor van dit rijk overgebleven is.
De overige delen van Tibet werden tijdens de Mongoolse Yuan-dynastie relatief met rust gelaten. In Zuid-Tibet stonden de abten van het klooster van Sakya op goede voet met de Mongoolse heersers. Een beroemde abt van dit klooster, Sakya Pandita (1182-1251) was niet alleen wereldlijk heerser van het gebied rondom zijn klooster, maar mocht zich van de Mongolen onderkoning van heel Tibet noemen. Zijn opvolgers werden de officiŽle zetbazen van de Yuan in Tibet. De Sakyapa-kloosterorde was een van de zogenaamde 'Roodkap-orden', genoemd naar de rode mutsen, die de monniken bij officiŽle gelegenheden dragen. Een andere sekte van Roodkappen was de zgn. Kagyupa-orde. Deze orde schonk veel aandacht aan het onderwijzen van jonge monniken. De leermeesters werden Lama's genoemd.
Na de val van de Yuan-dynastie leefde het Tibetaanse koningschap tijdens de Ming-dynastie (1368-1644) weer op. Tibet was in die tijd een zelfstandig bestuurde staat geworden, die echter tribuut betaalde aan de Ming-keizers.
Rond het begin van de 15e eeuw werd door de grote hervormer Tsongkhapa de sekte der "Geelmutsen" (de Gelugpa; 'Gelug'=deugdelijken) gesticht. Eťn van de grote geestelijke leiders uit die tijd, GendŁn Drubpa (1391-1475), stichtte o. a. het klooster Tashilhunpo bij Shigatse (Xigaze). Hij had een groot prestige en werd de eerste geestelijke leider, die (postuum) de titel Dalai Lama toebedeeld kreeg. De derde Dalai Lama, Sonam Gyatso (1543-1588), kreeg deze titel als eerste bij levende lijve toegekend door de Mongoolse heerser Altan Khan, bij gelegenheid van diens bekering tot het boeddhisme.
Het verschijnsel dat belangrijke Lama's na hun dood terugkeren in een nieuwe incarnatie is een typisch Tibetaans fenomeen, dat al vroeg bij een van orden van de Roodkappen plaats vond. De meeste bekende lijn van reÔncarnaties is echter die van de Dalai Lama, waarvan bovendien aangenomen wordt, dat hij uiteindelijk de incarnatie van de
bodhisattva Gyanyin is. Andere bekende reÔncarnaties zijn de Panchen Lama en de Karmapa Lama.
Het Tibetaanse boeddhisme en de sekte der Geelmutsen in het bijzonder, vestigde zich stevig in MongoliŽ. De incarnatie van de derde Dalai Lama (Sonam Gyamtso) als vierde Dalai Lama, was een achterkleinkind van de bovengenoemde Altan Khan. Met Mongoolse militaire hulp wist de Gelugpa sekte en daarmee zijn leider, de Dalai Lama, de overhand in Tibet te krijgen. Vooral de vijfde Dalai Lama, Ngawang Lobzang Gyatso (1617-1682), gelukte het behalve het geestelijke ook het wereldlijk leiderschap in Tibet te vestigen ten koste van de overige sekten. De koningskroon was inmiddels in handen gekomen van een Mongoolse dynastie (tot 1720). Op de plaats van het oude paleis van Songtsen Gampo verrees nu in Lhasa het Potala-paleis. Het was Ngawang Lobzang Gyatso zelf, die uit respect zijn leermeester en abt van het klooster van Tashilhunpho als incarnatie van de Boeddha Amitabha erkende, met de titel Panchen Lama (Pinyin: Bainqen Lama). De titel Panchen Lama was door hem zonder twijfel bedoeld als een lagere (tweede) rang in het Tibetaanse geestelijk leiderschap, waarbij hij, als Dalai Lama, het hoogste geestelijke leiderschap bekleedde. Aangezien de Boeddha Amitabha in de goddelijke hiŽrarchie echter hoger staat dan Guanyin, waarvan hijzelf de reÔncarnatie verondersteld wordt te zijn, heeft de vijfde Dalai Lama hiermee een tegenstrijdigheid in huis gehaald, die tot op de huidige dag de eenheid van de Tibetanen verstoort.
In 1652 sloot Ngawang Lobzang Gyatso een verdrag met de nieuwe (Mandsjoe) Qing-dynastie (1644-1911) in China, die in die tijd in hevige strijd gewikkeld was met de Mongoolse stam der Oiraten. Na de dood van de vijfde Dalai Lama werd Tibet eveneens deel van het strijdtoneel tussen beide machten. Deze strijd eindigde met de bezetting van Lhasa door de troepen van de Chinese Kangxi keizer in 1720 en afzetting van de (Mongoolse) koning van Tibet.

                                                                                        

Protectoraat onder de Qing-dynastie

De oorlogen van de Qing-keizers tegen de Mongoolse Oiraten resulteerden gedurende de 18e eeuw in de bezetting door Chinese legers van het Tarimbekken en omliggende gebieden (inclusief MongoliŽ). De legers werden spoedig gevolgd door kolonisten. In Lhasa werd een klein Chinees garnizoen gestationeerd en werden twee zogenaamde Ambanen aangesteld, die de belangen van de Chinese keizer in Tibet behartigden. De Ambanen kregen in de loop van 18e eeuw steeds meer bevoegdheden: van defensie en buitenlandse politiek tot en met de zeggenschap over de benoeming van hoge geestelijke gezagsdragers. Vooral dit laatste ondersteunt de huidige claim van Beijing op medezeggenschap in de aanwijzing van onder andere de Dalai Lam en Panchen Lama, in het geval dat zij komen te overlijden.
Tijdens de 19e eeuw, waarin de Mandsjoe macht sterk afbrokkelde, waren de Dalai Lama's veelal kinderen die de volwassen leeftijd vaak niet bereikten. De macht werd uitgeoefend door regenten. Dikwijls werd dit gezag betwist door de Panchen Lama, die het gebied rond Shigatse beheerste.
 

 


 

Detail van een muurschildering uit het Potala-paleis.

Onder Engelse invloed en onafhankelijkheidstreven

 

Reeds tijdens 25 jaar van de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw zond de Engelse Oostindische Compagnie gezantschappen en expedities vanuit Brits-IndiŽ naar Tibet. Aan het einde van de 19e eeuw kwam het tot schermutselingen tussen de Tibetanen en de Engelsen. Dit leidde in 1904 tot de zogenaamde "Younghusband-expeditie". Een kleine Britse legermacht onder leiding van Sir Francis Younghusband bezette Lhasa na een gewelddadige actie, waarbij vele nauwelijks bewapende Tibetanen werden afgeslacht. In september 1904 werd een verdrag getekend met de Mandsjoe Amban en de regent voor de dertiende Dalai Lama, die zelf naar MongoliŽ gevlucht was. Dit verdrag stipuleerde een opening van de Tibetaanse markt voor de Engelsen alsmede een groot bedrag als schadevergoeding.
De Engelsen zagen af van de mogelijkheid van een permanente aanwezigheid na een overeenkomst met Rusland. Daarin erkenden beide mogendheden het Chinese keizerrijk als heersend over Tibet (suzerein). Na het vertrek van de Engelsen keerde de Dalai Lama aanvankelijk terug naar Lhasa. Een Chinees leger bezette echter na een veldtocht, die duurde van 1908 tot 1910, geheel Tibet. Toen Lhasa in 1910 veroverd werd, vluchtte de Dalai Lama naar India.
Reeds in 1911, toen de revolutie een einde maakte aan het Chinese keizerrijk, kwam er een einde aan deze bezetting. Van 1912 tot de inval van het Chinese leger in 1950 was Tibet de facto een zelfstandige staat onder de teruggekeerde dertiende Dalai Lama, Ngawang Losang Thubten Gyamtso (1875-1933). Deze Dalai Lama had een sterke persoonlijkheid en heeft geprobeerd met hulp van de Engelsen van Tibet ook in volkenrechtelijke zin een zelfstandige staat te maken.(Conferentie van Simla, 1913). De Chinese republikeinse regering heeft hier echter nooit mee in willen stemmen. Erkenning als zelfstandige staat door enige mogendheid heeft dan ook nooit plaatsgevonden.
Een smet op het blazoen van de dertiende Dalai Lama was zijn slechte verhouding met de Panchen Lama, die zich gedwongen zag Tibet te ontvluchten. Hij werd in 1938 opgevolgd door de huidige veertiende Dalai Lama, Tenzin Gyatso. De zesde Panchen Lama overleed in 1938 en werd in 1944 opgevolgd door de zevende in dit ambt. Na de overwinning van de communisten op de nationalistische regering van Chiang Kai-shek werd Tibet in 1950 militair bezet. Tibet protesteerde bij de Verenigde Naties, maar zonder succes. Tussen vertegenwoordigers van de Dalai Lama en de Chinese regering werd in 1951, de zogenaamde 17-punten overeenkomst gesloten. De rechtsgeldigheid hiervan wordt betwist. In feite is deze overeenkomst een dode letter gebleven.
Na 1950 volgde een periode van gewapend verzet. Tibetaanse vrijheidsstrijders wisten grote delen van het gebied in handen te krijgen. De nog jonge Dalai Lama probeerde tevergeefs met de regering in Peking tot een vergelijk te komen (1954). In 1959 wisten de Chinese troepen door middel van een waar schrikbewind de controle over Tibet weer geheel in handen te krijgen en te behouden. De Dalai Lama vluchtte naar India en deed wederom een vergeefs beroep op de VN. Volgens de officiele lezing van de regering van de Volksrepubliek was er in 1959 sprake van 'de bevrijding' door het Volksleger van de onderdrukking van het Tibetaanse volk door feodale heersers. Elk verzet werd door harde maatregelen, zoals gevangenneming, deportaties en executies, onderdrukt. Vooral het kloosterleven en de kloosters zelf moesten het hierbij ontgelden en werden in de periode tussen 1959 en het einde van Culturele Revolutie op grote schaal verwoest.

 

                                                                                         


Kaartje van het westelijke deel van de Chinese Volksrepubliek met het huidige autonome gebied Tibet geel ingekleurd. Het historische Tibet bestond behalve uit het huidige autonome gebied Tibet, uit de Chinese provincie Qinghai en grote delen van Sichuan en Yunnan.
 
Autonoom gebied binnen de Volksrepubliek

 

I
n 1955 werden grote delen van het historische Tibet bij de Volksrepubliek ingelijfd. Deze gebieden waren de provincies Amdo, nu de Chinese provincie Qinghai, en de voormalige oostelijke provincie Kham, dat nu een deel van Sichuan is. In 1965 kreeg het kerngebied van Tibet de officiele status van autonoom gebied (Xizang Zizhiqu). De Dalai Lama vestigde na zijn vlucht in 1959 een regering in ballingschap in Noord-India te Dharamsala.
Ook nadat de opstand in 1959 door het Rode Leger was neergeslagen, laaide het verzet in de vorm van protestdemonstraties en gewapende acties van kleine verzetsgroepen nog vaak op. In het begin van de jaren 80, leek de regering in Beijing een welwillendere houding aan te gaan nemen. De onrust en de repressie namen echter weer toe in 1987 en 1988.
Eťn van de middelen, die de Chinese regering aanwendt om de oppositie in Tibet te verzwakken, is gebruik te maken van massale migratie van Han-Chinezen naar Tibetaanse gebieden. Een ander middel is invloed te verkrijgen op de aanwijzing van de belangrijkste Tibetaanse Lama's. Beijing voert hierbij historische precedenten aan, waarbij de centrale regering betrokken was bij het aanwijzen van de belangrijkste Lama's, zoals een nieuwe Dalai Lama. Deze claim wordt bestreden door de aanhangers van de Dalai Lama, met behulp van tegenvoorbeelden.
In 1989 overleed in Xigaze op 51 jarige leeftijd de tiende Panchen Lama. Over zijn opvolging heerst onenigheid en verwarring. In 1995 werden twee jongens elk als elfde Panchen Lama aangewezen. Eťn van hen, Gyachain (of Gyaltsen) Norbu, werd naar voren geschoven onder invloed van de regering in Peking, de ander (een in 1995 6 jaar oud Tibetaans jongetje met de naam Gedhun Choekyi Nyima) wordt gesteund door de Dalai Lama. In februari 2005 werd Norbu officieel ontvangen door de president van de Volksrepubliek Hu Jintao in de Grote Hal van het Volk (te Peking). De rivaliserende elfde Panchen Lama is nog nooit in het openbaar verschenen. Waarschijnlijk staat hij onder huisarrest. Aangezien de Panchen Lama een belangrijke rol speelt in de Tibetaanse hierarchie en onder andere traditioneel een belangrijke stem heeft bij de aanwijzing van een nieuwe Dalai Lama, is de persoon van de Panchen Lama van groot politiek belang.
De derde Lama in de Tibetaanse hiŽrarchie is de Karmapa Lama. Ook zijn aanwijzing is omstreden. Zie het artikel elders op
Geledraak.nl.
In 1989 ontving de Dalai Lama de Nobelprijs voor de Vrede. Officieel heeft de Dalai Lama het streven naar onafhankelijkheid voor Tibet opgegeven. Hij streeft de 'middenweg' na, die voorziet in binnenlandse autonomie. De Chinese regering vertrouwt zijn streven echter niet. Na jaren van verwijdering is er sinds september 2002 weer voor het eerst voorzichtig contact geweest tussen aanhangers van de Dalai Lama en functionarissen uit Beijing. dit heeft in mei 2003 geleid tot een bezoek aan de Volksrepubliek van een aantal Tibetaanse bannelingen, afgevaardigd door de Dalai Lama. Voorlopig beperkte dit contact zich tot het uitwisselen van beleefdheden.
De internationele gemeenschap heeft de onafhankelijkheid van Tibet nooit erkend. Wel dringen met name de westerse landen er regelmatig bij de Chinese regering opaan de mensenrechten en de Tibetaanse cultuur te eerbiedigen. De Chinese regering beschouwt dergelijke kritiek, geuit door andere regeringen en internationale instellingen, als inmenging in haar binnenlandse aangelegenheden. Zij laat geen gelegenheid onbenut om te wijzen op haar soevereiniteit over het gebied en de economische vooruitgang, die sinds 1959 geboekt is. Officieel wantrouwt de Chinese regering elk streven naar autonomie en beschuldigt de regering in ballingschap van Tibet ervan uit te zijn op separatisme.
De westerse landen hebben de kwestie Tibet nooit belangrijk genoeg (of te gevaarlijk) geacht om het op de politieke agenda te plaatsen. Mede daarom en door de toenemende migratie van Han-Chinezen is te voorzien dat het streven naar autonomie weinig vooruitgang zal boeken en dat de Tibetanen in de toekomst een steeds kleiner wordende minderheid gaan vormen in eigen land. Momenteel leven er ongeveer 6 miljoen etnische Tibetanen in Tibet.