Home
Up

 

  54222577.jpg (2684 bytes)                                                    

    SCHEPPINGSVERHAAL

P`an Koe is de meest opvallende figuur in de Chinese beschrijving van de schepping. Hij heet ontsproten te zijn uit de beide natuurbeginselen Yin en Yang, die - na hem op een onverklaarbare manier te hebben gebaard - hem de taak gaven de chaos vorm te geven en de hemel en de aarde te maken. Hij deed dit door het heelal uit de chaos te beitelen. Er zijn enkele overleveringen waarin hij de schepper van het heelal wordt genoemd, ` de voorvader van hemel en aarde en alles wat leeft en beweegt en adem heeft, ` maar het is onduidelijk of dit geen vreemde invloeden zijn  die zich vermengd hebben met de oorspronkelijke Chinese Mythe. P`an' betekent `eierschaal` en Koe wil zeggen` bevestigen` of   `stevig` wat slaat op de geboorte van P`an Koe vanuit de chaos en op zijn opdracht de wereld eens en vooraltijd een vaste vorm te geven.
P`an Koe wordt voorgesteld als een man van gedrongen gestalte, een dwergachtig figuur, gekleed in een berevel of bedekt met wat bladeren. Hij heeft twee horens op zijn hoofd , in zijn recherhand een hamer en in zijn linkerhand een beitel. de enige werktuigen die hij bij zijn grote taak gebruikte. Hij werdt ook wel eens bijgestaan door vier bovennatuurlijke wezens: de eenhoorn, de feniks, de schilpad en de draak. Zijn taak nam achtienduizend jaren in beslag. In die tijd vormde hij de zon , de maan, de sterren dehemel en de aarde. Zelf werd hij elke dag groter, hij groeide per dag zo`n zes voet totdat hij na het voltooien van zijn werk stierf, opdat zijn werk leven mocht. Zijn hoofd werd de bergen, zijn adem de wind en de wolken, zijn stemde donder, zijn ledematen de vier windstreken van de aarde, zijn bloed de rivieren, zijn vlees de bodem, zijn baard de sterrenbeelden, zijn huid en zijn haar de kruiden en de bomen, zijn tanden, beenderen en merg de metalen, rotsen en edelgesteente en zijn zweet de regen. Het ongedierte, de insecten die over zijn huid kropen, werden de menselijke wezens. De boeddhisten vertellen een iets ander verhaal, maar dit is slechts een andere versie van de taoistische   mythe en heeft niets te maken met de boeddhistische visie op de scheppeng.
P`an Koe leefde in de ochtend van de Tijd er bestond geen zand, geen zee, geen koele golven.
Een aarde was er niet,
geen hoge hemel; geen plukje levend groen,niets dan een bodemloze diepte.

 295062232.jpg (3374 bytes)       

 De dans van de kraanvogel
Lang geleden in het mooie land Japan leefde er eens een arme student.
Hij had zelfs geen geld om een kop thee te betalen.
Groot was zijn blijdschap dan ook toen hij in een herberg bij een prachtig
dorpje toch nog welkom was.
Ieder avond kreeg de jonge man van de waard iets warms te eten en te
drinken.
Niemand wist wat de student eigenlijk studeerde, maar men vond dit ook niet
belangrijk: gastvrijheid was heel gewoon.
Op een avond kwam de student bij de herbergier en hij zei: “Beste waard
morgen moet ik van hier vertrekken. Ik ben u heel dankbaar wat u voor mij
gedaan heeft en wil graag een geschenk geven.
De student liep naar de muur en tekende met krijt een prachtige kraanvogel. Het
was een sierlijke en krachtige vogel. De waard en zijn gasten waren heel blij,
maar de student zei dat dit nog niet alles zou zijn.
“Het is een bijzondere vogel: als u met uw gasten voor de vogel gaat zitten
en tweemaal in de handen klapt zal de kraanvogel voor u dansen."
“U moet echter beloven dat de vogel nooit voor maar n mens zal dansen en
dat er niet meer als twee keer in de handen wordt geklapt “.
De waard beloofde dit en de student vertrok.
Hij ging met de andere bezoekers van de herberg voor de muur zitten en
samen klapten ze tweemaal in de handen.
Het was een bijzondere vogel, het was een wondervogel!: De kraanvogel stapte
met prachtige bewegingen van de muur en voerde een dans uit waar de
mensen tranen van in de ogen kregen. De mensen voelden het dansen diep in
hun hart.
Al gauw was het verhaal van de dansende kraanvogel bekend in de wijde
omgeving.
Iedere avond zat de herberg vol met mensen die het ook wel wilden zien.
Groot en klein ging voor de muur zitten en samen klapten ze tweemaal in de
handen, en de kraanvogel danste haar dans.
De waard deed goede zaken.
Op een dag kwam er een rijke en belangrijke man uit de stad op binnen in de
herberg.
De waard zag aan de mooie kleren dat dit een belangrijk persoon moest zijn
en liep al buigend op de man af.
"Wat is er van uw dienst waarde heer" zei hij met zijn hoofd naar de grond
gebogen tegen de man.
“Ik wil dat de kraanvogel voor mij danst" zei de rijke man.
“Dat kan “antwoordde de herbergier, “gaat u maar zitten, zo meteen klappen
we tweemaal in onze handen en dan begint het".
“Ik wil dat het beest alln voor mj danst “antwoordde de man hooghartig en
hij smeet een zak met geld op tafel.
De waard twijfelde even, hij had immers beloofd dat hij dit niet zou doen.
Maar ach, voor een keer, en de man was belangrijk en rijk.
Het zou vast niet erg zijn. Hij knikte tegen de rijkaard en ging naar de rand
van de zaal.
De deftige man ging voor de tekening zitten en klapte driftig in zijn hand.
Er gebeurde niets. De man stond op en klapte nu drie keer in zijn handen en
riep: “en n ga je dansen"
Nu bewoog de kraanvogel, met gebogen nek stapte ze langzaam en schokkerig
van de muur.
Ze stond even stil en begon met een dans, zo traag,… zo droevig, dat de
waard dacht dat de vogel ging sterven.
Toen de dans was afgelopen ging plotseling de deur van de herberg open en
daar kwam de student binnen. In zijn hand droeg hij een fluit, zonder iets te
zeggen liep hij naar de kraanvogel, boog even licht zijn hoofd en begon te
fluiten. De kraanvogel draaide zich naar de deur toe en samen liepen zij de
herberg uit : Voorop de kraanvogel en daarachter de student.
Aan de rand van het dorp verdwenen ze plotseling uit het zicht.
Niemand heeft de kraanvogel en de student ooit meer teruggezien.


EINDE

340626218.jpg (4495 bytes)

 Een spiegel en een bel
Toen de priesters van Mugenyama voor hun tempel een grote bel nodig hadden, vroegen ze de vrouwen in de omgeving om hun oude bronzen spiegels te geven, zodat ze die konden omsmelten.
Honderden spiegels werden voor dit doel geschonken, en allemaal waren ze van harte gegund, behalve n: die spiegel was afkomstig van een boerenvrouw. Direct nadat ze haar spiegel aan de priesters had gegeven kreeg ze daar spijt van. Ze bedacht hoe oud de spiegel was, hoe hij de lach en de tranen van haar grootmoeder had weerkaatst, en zelfs die van haar overgrootmoeder. Elke keer dat de boerenvrouw naar de tempel ging, zag ze haar afgedankte spiegel in een grote hoop achter een hekje liggen. Ze herkende hem aan de tekening op de achterkant, die bekend staat als de Sho-Chiku-Bai, oftewel de drie emblemen van de pijnboom, de bamboestengel en de pruimenbloesem. Ze wilde dolgraag haar arm uitstrekken door het hek om haar beminde spiegel terug te stelen. Haar ziel was in de spiegelende voorzijde, en vermengde zich met de zielen van degenen die erin gekeken hadden nog voor zij geboren was.
Toen ze bezig waren om de bel voor Mugenyama te maken, ontdekten de belgieters dat een van de spiegels maar niet wilde smelten. Ze zeiden dat dat kwam omdat degene die de spiegel had geschonken daar achteraf spijt van had gekregen, waardoor het metaal hard geworden was, zo hard als het hart van de zelfzuchtige vrouw.
Al gauw wist iedereen wie de geefster was van de spiegel die niet wilde smelten. Boos en beschaamd verdronk de boerenvrouw zichzelf, maar eerst schreef ze een briefje met de mededeling: 'Als ik dood ben zullen jullie de spiegel kunnen smelten, en je bel kunnen gieten. Mijn ziel zal komen tot degene die de bel zo hard slaat dat hij breekt, en aan hem zal ik grote rijkdom brengen.'
Toen de vrouw dood was smolt haar spiegel onmiddellijk, de bel werd gegoten en opgehangen op de gebruikelijke plaats. Veel mensen hadden gehoord van de laatste geschreven boodschap van deze overleden boerenvrouw, en massa's mensen kwamen naar de tempel, en n voor n beukten ze zo hard als ze maar konden op de bel, in de hoop dat die zou breken, om daardoor een enorme rijkdom te verwerven.
Dag na dag ging het door, en uiteindelijk werd de herrie zo onverdraaglijk, dat de priesters de bel in het moeras gooiden, waar hij nog altijd aan het zicht onttrokken ligt.



EINDE

154734870.jpg (2908 bytes)

 Xue Wei
DE AMBTENAAR DIE IN EEN VIS VERANDERDE
Een zekere Xue Wei werd in het eerste jaar van de regeringsperiode Qianyuan (758-759) benoemd tot hoofdadministrateur van het district Qingcheng in de prefectuur Shuzhou. In de herfst van dat jaar werd Wei ziek en na zeven dagen was hij opeens levenloos, alsof hij was heengegaan. Hoe vaak men ook riep, hij reageerde niet, maar zijn hart bleef enigszins warm zodat zijn huisgenoten het niet konden verdragen hem te begraven en ze bleven bij hem waken.

Na twintig dagen slaakte hij plotseling een diepe zucht, ging overeind zitten en zei tegen hen: "Hoeveel dagen zijn er in de wereld der mensen verstreken?" Op het antwoord: "Al twintig," zei hij: "Ga eens kijken of mijn collega's gefrituurde visfilets zitten te eten. Vertel hun dat ik weer tot leven ben gekomen en iets bijzonder vreemds heb meegemaakt en vraag hun de eetstokjes neer te leggen om te komen luisteren."

Een knecht ging hollend de overige ambtenaren zoeken die inderdaad juist visfilets zouden gaan eten. Hij lichtte hen vervolgens in, waarop zij hun maaltijd onderbraken en met hem meekwamen. Wei vroeg: "Had u de knecht van de belastingadministratie Zhang Bi bevolen een vis te halen?" Op hun bevestigend antwoord zei hij tegen Bi: "De visser Zhao Gan verborg die kolossale karper en wilde met kleine vissen aan zijn verplichtingen voldoen. Jij hebt tussen het riet die verborgen vis gevonden en die meegenomen. Toen jij het ambtsgebouw binnenging zat een klerk van de belastingadministratie aan de oostzijde van de poort, terwijl een klerk van de politie aan de westzijde van de poort zat, ze waren go aan het spelen. Toen je op de binnenplaats kwam, zaten Zou en Lei juist te eten terwijl Pei een perzik at. Toen je vertelde dat Gan die kolossale vis verborgen had willen houden gaf Pei bevel Gan af te laten ranselen. Nadat jij de vis had overgedragen aan de kok Wang Shiliang slachtte die hem verheugd. Klopt dit alles?"

Het klopte en men vroeg: "Hoe wist u dat?"

Hij antwoordde: "Die zoven geslachte karper, dat was ik!"

Geschrokken zei men: "Vertel ons hoe dat gebeurde!"

Wei zei: "Uitgeput door mijn ziekte had ik eerst zo'n last van de hitte dat het bijna ondraaglijk was. Opeens kreeg ik het zo benauwd dat ik vergat dat ik ziek was, en om de hitte te ontvluchten liep ik naar buiten, zonder te beseffen dat het een droom was. Toen ik buiten de stad was aangekomen, voelde ik me vrolijk en blij als een vogel in een kooi en een dier achter tralies die zijn ontsnapt - niemand was zo vrolijk en blij als ik. Geleidelijk kwam ik in de heuvels, maar van het lopen in de heuvels kreeg ik het nog benauwder, zodat ik vervolgens afdaalde om langs de rivier te zwerven. Ik zag hoe lieflijk de najaarskleuren waren en hoe diep en stil de kolk in de rivier was - door de lichtste rimpeling werd het water zelfs niet beroerd en als een spiegel omvatte het de verste luchten. Opeens had ik zin me te baden en ik trok op de oever mijn kleren uit en sprong erin! Van jongs af aan was ik met het water vertrouwd, maar sinds ik volwassen was had ik er nooit meer in gespeeld. Bij die gelegenheid liet ik me volledig gaan, zodat ik een langgekoesterd verlangen bevredigde en ik dacht: Een mens zwemt niet zo lekker als een vis. Zou ik niet tijdelijk vis kunnen zijn om vrijuit door het water te kunnen schieten? Naast me verscheen een vis en die zei: "Dat is eenvoudig. Ik zal het voor u gaan regelen." Hij verdween en even later verscheen er een man met het hoofd van een vis, rijdend op een dolfijn en omringd door enige tientallen vissen. Hij las een proclamatie van de Heer van de Rivier voor die luidde:

"Boven water en onder water: gescheiden zijn de wegen van hen die door stromen zwerven, zodat de mens niet bekwaam is de golven te doorklieven tenzij hij dat heel graag doet. Xue Wei houdt van zwemmen door diepe wateren en verlangt naar de rust van ongebondenheid. Uit vreugde over het onafzienbare oppervlak voelt hij zich bevrijd in de klare rivier. Voor een korte tijd zal hij een vis zijn, het is niet zo dat hij dat voor eens en voor al zal zijn. Tijdelijk mag hij in de Oosterkolk verblijven als een rode karper. Ach! Wie door zich te verlaten op hoge golven schepen doet vergaan, begaat in duisternis een misdrijf; wie onkundig van de fijne haak het aas begeert wordt in het licht gekwetst. Verspeel toch niet, tot schande van soortgenoten, het leven! Getroost je moeite!"

Toen ik, na dit gehoord te hebben, naar mezelf keek stak ik al in een vissekleed. Daarop zwom ik naar hartelust en ik kwam waarheen ik ook maar wilde. Boven de golven of op de bodem, overal voelde ik me volkomen op mijn gemak en de drie rivieren en vijf meren heb ik bijna volledig doorsprongen. Maar het mij aangewezen verblijf was de Oosterkolk en elke avond keerde ik daarheen terug.

Opeens had ik een geweldige honger maar nergens kon ik iets te eten vinden. Toen ik langs een boot zwom, zag ik plotseling het haakje hangen van Zhoa Gan met zijn heerlijk riekende aas. Me welbewust van het gebod had ik, voor ik het zelf besefte, er toch al de mond aangezet maar ik bedacht: Ik ben een mens die voor een poosje een vis is. En dan zal ik, omdat ik niets te eten kan vinden, een haak inslikken? Ik versmaadde het aas en ging weg. Maar even later werd de honger nog erger en ik dacht bij mijzelf: Ik ben een ambtenaar die als spel in een vissekleed steekt. Gesteld al dat ik de haak zou inslikken, dan zou Zhao Gan me toch zeker niet doden, maar me vast terugbrengen naar het ambtsgebouw. Daarop slikte ik het aas in. Zhao Gan nam het snoer in zodat hij me ophaalde. Toen zijn hand me naderde riep ik herhaaldelijk tegen hem, maar hij luisterde niet en reeg een touwtje door mijn wangen, waarmee hij me vastbond tussen het riet. Later kwam Zhang Bi die zei: "Overste Pei wil een vis kopen, maar het moet een grote zijn."

Gan zei: "Ik heb nog geen grote vis gevangen maar ik heb wel ruim tien pond kleine vis."

Bi zei: "Ik heb opdracht gekregen een grote vis te halen. Wat heb ik aan die kleintjes?" Daarop ging hij zelf zoeken tussen het riet, vond mij en nam me mee. Ik zei tegen Bi: "Ik ben jouw meerdere, de hoofdadministrateur, maar in de hoedanigheid van een vis zwom ik in de rivier. Hoe bestaat het dat je niet voor mij neerknielt?" Hij luisterde niet en met mij in de hand liep hij door. Ik bleef schelden en razen maar Bi sloeg er geen acht op. Toen we de poort van het ambtsgebouw binnengingen zag ik klerken go zitten spelen. Met luide stem riep ik hen toe, maar niets of niemand reageerde. Ze lachten slechts en zeiden: "Wel allemachtig, die vis weegt wel meer dan vier pond!" Toen we daarna op de binnenplaats kwamen, waren Zou en Lei juist aan het eten terwijl Pei een perzik at. U was verheugd over de grootte van de vis en beval Bi direct naar de keuken te gaan. Bi vertelde dat Gan de kolossale vis verborgen had willen houden om met kleintjes aan zijn verplichtingen te voldoen en Pei zei woedend hem af te laten ranselen. Ik schreeuwde tot u allen: "Ik ben uw collega! Ik werd gevangen en jullie laten me niet gaan, maar willen dat ik direct geslacht word - dat is onmenselijk!"

Luid schreeuwend weende ik, maar u drien bekommerde er zich niet om en liet me overdragen aan de vis-kok. Die Wang Shiliang had een blinkend mes in zijn handen en verheugd wierp hij mij op zijn tafel. Weer schreeuwde ik: "Wang Shiliang, jij bent de vis-kok die ik steeds bestel, waarom slacht je mij? Waarom breng je mij niet bij de heren om hen in te lichten?"

Shiliang leek het niet te horen, hij drukte me bij mijn nek neer op het hakblok en
sloeg mijn hoofd eraf. Op het moment dat dat daar viel, kwam ik hier tot bewustzijn en vervolgens liet ik u roepen."

Alle heren stonden stomverbaasd en hun hart werd vervuld van liefde en mededogen. Welnu, toen Zhao Gan hem ving, Zhang Bi hem meenam, de klerken go speelden, de drie heren boven aan de treden stonden en Wang Shiliang hem zou slachten, hadden zij wel zijn mond zien bewegen, maar niemand had iets gehoord. De drie heren lieten daarop de gefrituurde visfilets wegwerpen en aten dat gerecht van hun levensdagen nooit weer. Wei was vanaf dat moment hersteld.

(Later bracht hij het tot assistent-magistraat van het district Huayang, in welke functie hij overleed.)


EINDE

 De gebarsten emmer
Een waterdrager in India had twee grote emmers; elke emmer hing aan n kant van een juk dat hij over zijn schouders droeg. En van de emmers had een barst en de andere emmer was in perfecte staat. Terwijl die tweede emmer aan het einde van de lange weg tussen de rivier en het huis van de meester een volle portie water afleverde was tegen die tijd de gebarsten emmer nog maar half vol.

Dat ging zo twee volle jaren verder. De waterdrager leverde altijd maar anderhalve emmer water af in het huis van zijn meester. Natuurlijk was de goede emmer bijzonder trots op zijn prestaties omdat hij perfect voldeed voor het doel waarvoor hij gemaakt was. Maar de arme gebarsten emmer was beschaamd om zijn gebrek en voelde zich ellendig omdat hij maar de helft kon presteren van wat je van hem had mogen verwachten.

Nadat hij zich zo twee jaar lang als een mislukking had beschouwd begon hij op een dag bij de rivier tegen de waterdrager te praten.

"Ik ben beschaamd over mezelf en ik wil me bij jou verontschuldigen."

"Waarom?", vroeg de waterdrager, "waarom ben je beschaamd?"

"Omdat ik de laatste twee jaar slechts in staat ben geweest om maar een halve portie water af te leveren. Door die barst in mijn zijwand verlies ik voortdurend water onderweg naar het huis van je meester. Door mijn falen moet jij zo hard werken en krijg je niet het volle loon voor je inspanning", antwoordde de emmer.

De waterdrager kreeg echt medelijden met de oude gebarsten emmer; hij wilde hem troosten en zei: "Als we dadelijk teruggaan naar het huis van mijn meester moet je eens goed op die prachtige bloemen letten aan de kant van de weg".

En inderdaad: toen ze de heuvel opliepen zag de gebarsten emmer de prachtige wilde bloemen langs de kant van de weg en dat bracht hem toch een beetje troost. Maar aan het einde van de reis voelde hij zich toch weer ongelukkig omdat de helft van het water weer was weggelopen en hij verontschuldige zich opnieuw bij de waterdrager omdat hij weer gefaald had.

De waterdrager bekeek de emmer en zei: "Heb je dan niet gezien dat er alleen maar bloemen groeien langs jouw kant van de weg en niet langs de kant van de andere emmer? Dat komt omdat ik altijd al wist dat je een beetje lekte en ik heb daar mijn voordeel mee gedaan. Ik heb bloemzaadjes geplant aan jouw kant van de weg en elke keer als we terugkwamen van de rivier heb jij ze water gegeven. En zo heb ik twee jaar lang telkens prachtige bloemen kunnen plukken om de tafel van mijn meester mee te versieren."

"Als jij niet zou zijn zoals je nu eenmaal bent dan zou zijn huis er nooit zo prachtig uitzien."


EINDE

 De slimme prinses

Vele jaren geleden leefde er in Benares een koning, hij had een dochter, maar geen zoon en hoe gelukkig hij ook met zijn dochtertje was, het was een groot gemis voor hem, geen zoon te hebben. Daarom vroeg hij aan zijn zuster, haar zoon, die de erfprins zou.zijn, aan hem af te staan, de zuster deed dat, en zo kwam de jongen in het paleis, waar hij samen met het dochtertje van de koning werd opgevoed.

De kinderen waren altijd samen, bij les en spel, de koning verheugde zich in de aanblik daarvan, ze waren precies een klein paar, en een paar zouden ze ook worden, dat was de bedoeling van de koning. Hij belegde een ministerraad, en zei tot de ministers: Mijne heren, een troonopvolger heb ik zelf niet, maar na mijn dood zal mijn neef koning worden en mijn dochter zal zijn gemalin zijn.

De ministers juichten het besluit van de koning toe, hoera! zeiden zij, en aan het hof, waar allen met welgevallen het kinderlijke paar samen zagen, was ieder in zijn schik. Opgevoed in hetzelfde huis, spelend in de zelfde tuin, hechtten de kinderen zich zeer aan elkaar, zij waren geen ogenblik buiten eikaars gezelschap, zij konden elkander niet missen, hun geluk was onbewolkt, zij wisten, dat.zij nooit zouden behoeven te scheiden, omdat zij elkander als man en vrouw waren toegezegd.

Maar toen zij volwassen waren deed de koning van een machtig naburig rijk aanzoek om de hand van de prinses voor zijn zoon de kroonprins.

De koning begreep, dat dit huwelijk voor zijn dochter schitterender zou zijn dan dat met haar neef de erfprins, wat hij haar in het vooruitzicht had gesteld, hij wilde graag door zulke nauwe familiebanden met het vorstenhuis van het naburige land verbonden zijn, daarom besloot hij het aanzoek in te willigen en op zijn vroeger besluit terug te komen. Hij belegde een ministerraad en deelde aan de ministers zijn veranderd besluit mede.
Mijn neef, de erf prins, zei hij, zal in een ander koningshuis een prinses moeten zoeken, die zijn gemalin wordt, op die manier hebben we tweemaal bruiloft, de familie wordt groter, ons koningshuis stijgt in aanzien, en de nakomelingschap wordt talrijker.

De ministers juichten het veranderd besluit van de koning toe, hoera! zeiden zij, maar de prinses was boos, zij stampvoette, zij was dikwijls een lieve, kleine dwingeland, die haar zinnetje wist door te zetten, maar dezen keer bleef haar vader op zijn stuk staan en hij zei, dat hij daarbij niets anders dan haar geluk op het oog had.

De prinses geloofde daar niets van, maar de koning zei, wat alle vaders in zulke omstandigheden zeggen, dat zij dat later zelf zou inzien en dat zij hem dan dankbaar zou zijn, dat hij haar nu haar zin niet gegeven had.

Daarmee was de zaak voor hem uit, maar zij was niet uit voor de prinses, zij wilde van het huwelijk met dien aanzienlijken kroonprins niets weten, haar neef, de erfprins, wilde zij hebben en geen ander, dat moest haar vader zich goed in de oren knopen.

De koning knoopte het zich goed in de oren, hij wees een der bijgebouwen als woning voor zijn neef aan, hij gaf hem daar zijn eigen pages en bedienden en verbood hem nog ooit een voet in het paleis te zetten.

De koning nam geen halve maatregelen. Alle leden van de hofhouding en alle kameniers en vrouwelijke bedienden van de prinses kregen de strenge opdracht, goed op de prinses te letten, en hem onmiddellijk in te lichten als zij van elkaar bemerkten, dat een van haar de prinses in haar eigenzinnigheid hielp.

En om haar ook in de nacht te bewaken liet hij voor haar een slaapkamer naast de zijne inrichten, 's avonds ging de deur daarvan op slot, 's morgens ontsloot de koning ze zelf en zo was hij volkomen gerust en zeker van zijn zaak.

De kroonprins uit het naburige rijk kwam. met pracht en praal, met vele kostbare geschenken, maar hiij vond enkel een stuurse bruid bruid, het huwelijk werd echter vast gesteld en de kroonprins vertrok weer. Intussen dachten de van elkaar gescheiden geliefden aan niets anders dan elkaar, en de erfprins, de echte geliefde van de prinses, zon op middelen, om toch in het bezit te komen van de hem beloofde bruid, die hem en geen ander wilde hebben.

Eens zag hij in het bijgebouw de voedster van de prinses, hij dacht, dat, als een van de vrouwelijke bedienden van de prinses te vertrouwen zou zijn, het deze moest zijn, die de prinses in de armen had gedragen en als haar eigen kind had bemind. Hij ging daarom naar haar toe en gaf haar een geschenk. Zij vroeg: " Geeft gij mij dat geschenk, omdat gij een dienst van mij verwacht, edele heer? • Ja, zei de prins.

De vrouw glimlachte en vroeg: Wat kan ik voor u doen? De prins zei: Moedertje, vraag aan de koningsdochter, of er geen gelegenheid is, dat ik haar ontvoer? De vrouw zei: Ik zal met de koningsdochter spreken en dan zal ik het u komen vertellen. Goed, moedertje, zei de prins.

De vrouw ging heen. "s Avonds zei zij tegen de prinses: Dochtertje, laat ik nu uw haren kammen. Zij kamde de golvende haren van de koningsdochter, de kameniers keken toe, de vrouw merkte, hoe zij allen op haar letten, zij dacht aan het strenge bevel van de koning, maar toen de kameniers zich even wat verwijderden in het vertrek, bukte zij zich, alsof zij bij het oor van de prinses een haarstreng wilde kammen die moeilijk te ontwarren was, de prinses riep: au! maar de voedster fluisterde haar toe: Uw neef de prins vraagt, of gij een gelegenheid weet, dat hij u ontvoert. Au! riep de prinses.

Zij gaf niet dadelijk antwoord, zij glimlachte haar voedster in de spiegel toe, zij knikte langzaam ja, toen, alsof zij voor zichzelf een liedje zong, zei ze met zangerige stem:

Is er slechts een zachte hand
Een goede, tamme olifant
En regent het in de donkeren nacht
Dan is de zaak heel gauw volbracht.

De voedster,zei deze woorden in hare gedachten na, toen nog eens, en daarop nog eenige keren, net zo lang totdat zij ze goed van buiten kende en zeker wist, dat zij ze niet meer zou vergeten.

De volgende dag ging zij naar de prins.

Moedertje, vroeg hij, wat heeft de koningsdochter gezegd? Haar boodschap is een vers, en anders heeft zij niets gezegd.

En hoe luidt dat vers? Dat vers luidt:

Is er slechts een zachte hand
Een goede, tamme olifant
En regent het in de donkeren nacht
Dan is de zaak heel gauw volbracht.

Goed, moedertje, zei de prins.
Hij herhaalde het vers enige keren voor zichzelf en dacht over de zin ervan na, totdat hij dien gevonden had, het vers hield een boodschap in, het hield wenken in, hij zou die nakomen. Hij lette op de pages die hem bedienden, totdat hij onder hen een tengere knaap zag, wiens handen opvallend slank en zacht waren. Hij dacht: Dien moet ik hebben.
En hij liet dezen page allerlei lichte diensten voor zich verrichten, beloonde hem daarvoor en was vriendelijk tegen hem, om de toegenegenheid, de hulpvaardigheid en het vertrouwen van de knaap te winnen. Hij ging naar de stal der staatsolifanten, maakte zich bevriend met de wachters, gaf hun geschenken en kreeg van hen gedaan, dat zij hem hielpen in het africhten van een olifant tot zeer zacht lopen en lang, roerloos stilstaan en tot volledige gehoorzaamheid aan hem.

Toen wachtte hij zijn tijd af. Op zekeren avond in de donkere helft van de maand begon het tegen middernacht hevig te regenen.

Dit is de nacht, waarvan de koningsdochter gesproken heeft, zei de prins. Hij ging naar de page, zei, dat hij zijn diensten nodig had, hij nam hem mee naar de olifantsstallen, besteeg de olifant, zette de kleinen, tengere page voor zich op de rug van het dier en reed daarop tot onder het venster van de prinses. Hier deed hij de olifant, die geluidloos gelopen had, stilstaan en wachtte op het roerloze dier gezeten. Het was stikdonker, de prins werd drijfnat, maar dat moet men voor de geliefde over hebben.

De koning bewaakte zijn dochter, nimmer kreeg zij verlof in een andere kamer te slapen dan in de kleine kamer naast de zijne, waarvan hij avond aan avond de deur verzegelde. Vannacht zal de prins komen, zei de koningsdochter. Zij legde zich in bed maar zij bleef wakker, en na een tijdje riep zij: Hoor eens wat een heerlijke regen, vader, ik zou een regenbad willen nemen. In kleine grillen gaf de koning haar maar al te graag haar zin, in de hoop haar daarmee vriendelijk te stemmen voor zijn plannen. Hij glimlachte fijntjes, hij zou in elk geval de uiterste voorzichtigheid in acht nemen, en riep: Zeker, mijn dochter, neem een regenbad, wacht, ik kom en zal u behulpzaam zijn. Goed vader, zei de prinses. Ha, dacht de koning, dan is zij toch niets van plan, als zij zo snel goed vindt dat ik kom en er niet op staat alleen te zijn. Hij stond op, kwam naar zijn dochter en nam haar bij de hand. Kom, zei hij en hij leidde haar naar het venster. Hij opende het en tilde het meisje op een grote, smeedijzeren lotusversiering aan de buitenkant van het raam. Zelf bleef hij binnen staan, omdat hij liever niet nat werd, maar hij hield zijn dochter bij haar ene hand vast. Haar andere hand stak zij uit.

De prins onder het venster, die gehoord had hoe het raam werd geopend en de zachte, beminde stem van de geliefde vernam, gaf de page een duwtje, beiden stonden recht.
De prins nam de uitgestoken hand van de prinses, deed de armbanden van de pols, de ringen van de vingers en schoof deze sieraden aan de hand van de page.

Toen zei de prinses: Ach, vader, ik word moe van het staan in een houding, ik wilde me even omdraaien, neem mijn andere hand.

Dat is goed, mijn kind, zei de koning en liet haar hand los.

De prins tilde nu de page op de lotusversiering naast de koningsdochter, en de page legde zijn zachte hand met de juwelen van de prinses in de uitgestoken hand van de koning. Zoo, nu heb ik je bij je andere hand, zei de koning. Wees voorzichtig, vader, zei de prinses.

Daar kunt ge gerust op zijn, mijn kind, zei de koning, ik heb je goed vast.

De koningsdochter hield nu de prins haar andere hand tegen.

De prins ontdeed pols en vingers van hun sieraden, legde ze in de hand van de prinses, en deze deed ze de page aan diens vrije hand. Vader, neem nu ook mijn andere hand, dat ik naar binnen spring, zei de prinses.

Dat is goed, mijn kind, zei de koning, waar is je hand? Hier vader, zei de prinses.

En de page legde zijn tweede hand in de andere hand van de koning.

De prinses echter gleed van de lotusversiering in de haar toegestoken armen van de prins, en de olifant ging geluidloos weg.

Maar de page sprong aan de handen van de koning naar binnen en glipte meteen onder de dekens.

De koning sloot het raam en grendelde het.

Toen ging hij de kleine slaapkamer uit en verzegelde de deur. In gebukte houding luisterde hij nog even. Zij slaapt reeds, zei hij.

En glimlachten d ging hij, op zijn tenen, naar zijn eigen kamer. de volgende morgen ontsloot de koning de slaapkamerdeur van zijn dochter. Kom, mijn dochtertje, zei hij, het is tijd om op te staan.

Maar daar sprong hem een page tegemoet. Waar is mijn dochter! riep de koning.
Die is er met uw neef vandoor, zei de page. • Wat! schreeuwde de koning, hoe is het mogelijk? Gijzelf, majesteit, zei de page, hebt haar de prins toegereikt, door haar op de lotusversiering te tillen, waarvan de prins haar in zijn armen heeft afgenomen.
En hij toonde de koning zijn smalle, zachte handen met de juwelen van de prinses.
De koning was woedend, maar hij kon niet lang woedend blijven, hij werd ook weer kalm, hij voelde zijn onmacht.

Een vrouw, zei hij, kan men niet bewaken, zelfs niet al houdt men haar bij de hand vast.
En dat was een verstandige opmerking.

De voortvluchtige keerden terug, nadat de koning de boodschap had laten verspreiden, dat hij zich tegen hun huwelijk niet langer zou verzetten. Aan zijn machtigen nabuur schreef hij een beleefde brief met de in die omstandigheden gebruikelijke verontschuldigingen. Hij deelde zijn nieuwe besluit aan de ministerraad mee.

De ministers juichten dit nieuwe besluit toe, hoera zeiden zij, en dat zeiden allen, ook de koningsdochter en de prins. Zij trouwden, met grote pracht en praal, de olifant ging mee in de bruidsstoet, de page ook, maar het regende niet, de zon scheen heerlijk.

En de erfprins werd onderkoning, en toen de oude koning stierf werd hij diens opvolger op de troon.


EINDE